Een vennootschap die vrijgesteld is van de verplichting om een commissaris

te benoemen, kan toch vrijwillig een commissaris aanstellen. 154. Wordt geen commissaris benoemd, dan heeft iedere vennoot individueel de onderzoeks- en controlebevoegdheid van een commissaris. Hij kan zich laten vertegen-woordigen of bijstaan door een externe accountant (art. 166 W. Venn. ).

155. Zo moet de commissaris in zijn controleverslag vermelden of het geld lenen jaarverslag de door de wet vereiste inlichtingen bevat en in overeenstemming is met de jaarrekening. Volgens het Instituut der Bedrijfsrevisoren vereist de wet niet dat de commissaris zijn oordeel uitspreekt over het getrouwe karakter van het jaarverslag in zijn geheel geno¬men. 156. De mening van de commissaris over het jaarverslag en zijn eventuele opmerkin¬gen hierover maken geen deel uit van zijn verklaring over de jaarrekening zelf. De eventuele opmerkingen over het jaarverslag worden niet gelijkgesteld met een voorbe¬houd met betrekking tot de jaarrekening. 157. We gaan dieper in op:1) De algemene controlenormen van het IBR. 2) Opmerkingen in het controleverslag wanneer het jaarverslag niet aan de wettelijke vereisten voldoet. 3) Opmerkingen in het controleverslag wanneer de continuïteit van de onderneming niet verzekerd wordt. 3.

2. De algemene controlenormen van het IBR158. De algemene controlenormen van het IBR bevatten een aantal verplichtingen van de revisor in verband met het jaarverslag. 159. Het verslag van de commissaris van een handelsvennootschap zal eveneens diens mening bevatten over het jaarverslag van het bestuur. Hij zal vermelden of de door de wet vereiste informatie in dit verslag werd opgenomen en of deze overeenstemt met de gegevens die uit de jaarrekening blijken. 160. De commissaris moet er zich van vergewissen dat het jaarverslag alle door de wet lening voorgeschreven inlichtingen bevat. Mocht een vereiste inlichting ontbreken, dan vermeldt hij dit. 161. Het jaarverslag maakt melding van de omstandigheden die een aanmerkelijke invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van de vennootschap, tenzij deze een ernstig nadeel kan berokkenen aan de vennootschap.